Wat we al weten

Meervleermuis

De meervleermuis vormt in de zomer grote kraamgroepen van 100 tot 750 dieren . Verblijfplaatsen van de Nederlandse populatie zijn rijtjeshuizen (51%), vrijstaande woonhuizen (11%), kerkzolders (7%), onbekend (25%) en overige huizen (o.a. flat en bedrijfspand) . Spouwmuren van jaren ‘60 (en ‘70) rijtjeshuizen zijn veruit het meest gebruikte verblijfplaatstype. Bij afwezigheid van spouwmuren kunnen meervleermuis ook onder dakpannen verblijven, dit soort verblijven hebben altijd beperkte groepsgrootte. De dieren vliegen over het algemeen vooral uit via de beide uiteinden (kopse kanten) van een rijtje. Belangrijke kenmerken zijn een blinde (of vrijwel blinde) zijgevel, het ontbreken van een boeibord, en dakpannen die iets over de rand van het spouwmuurblad uitsteken. Ook huizen met open stootvoegen hoog tegen een zijmuur worden graag gebruikt. In het najaar wonen de dieren in paarverblijven. Vaak worden hiervoor ondermeer vleermuiskasten, spouwmuren, bunkers, en mergelgroeven en in het buitenland natuurlijke grotten gebruikt. In de wintermaanden overwinterd een deel van de populatie vermoedelijk in gebouwen.

Laatvlieger

De laatvlieger vormt in de zomer middel grote groepen van 20 tot 150 dieren . Verblijfplaatsen van de Nederlandse populatie zijn zeer divers, oa rijtjeshuizen, vrijstaande woonhuizen, en kerkzolder. Anders dan bij de meervleermuis heeft geen landelijk onderzoek plaats gevonden waarmee verblijfplaatsvoorkeur is vastgesteld.  Laatvliegers maken zowel gebruik van spouwmuren, ruimte onder de pannen als nok van zolders (graag tussen de balken).  Een duidelijk beeld van de gebruikte paarverblijven ontbreekt, als mede gebruikte winterverblijven. Net als de meervleermuis, overwinterd de laatvlieger vermoedelijk ook in gebouwen.